

Akyoro is een koning. Zijn troon staat op een toren, waar hij uit kan kijken over zijn hele planeet.
Zijn paleis heeft parelpilaren en zilverzuilen! En zalen met zwevende stoelen, waarop hij buiten tochtjes kan maken.
Vanuit die stoel houdt koning Akyoro zijn planeet in de gaten.
Voor het gemak noemt hij die planeet ook maar Akyoro.
Het is er mooi en er groeien planten die eten geven, zoals fluweelperen en gigagroenten. Ook mangelnoten groeien er volop.
Er is wel iets wat heel jammer is: koning Akyoro is de enige bewoner op Akyoro.
Best saai. Om dat te vergeten praat hij vaak tegen zichzelf en als hij een vraag heeft moet hij zelf het antwoord geven.
Op een dag, als de Koning weer eens in een zweefstoel over de velden vliegt, ziet hij plots een stipje op de grond. Dat stipje beweegt!
‘Een levend wezen! Dat kan niet anders!’ roept de Koning uit. ‘Eindelijk krijg ik een onderdaan!’
Hij voelt zich zo blij worden, dat zijn stoel veel te ver de lucht inschiet.
‘Ho ho, landen moet ik. Bij dat stipje! Naar beneden! NU!’
De Koning is de baas over alles, dus ook over de zweefstoel. De stoel zakt en landt naast het stipje. En ja hoor, het is een levend wezen!
Wel een die er heel anders uitziet dan hij, maar super koninklijk! Hij heeft zelfs vleugels!
‘Wat fijn dat je mijn koninkrijk komt bezoeken,’ zegt Akyoro plechtig. ‘Je moet voor mij buigen, want ik ben hier de Koning.’
‘Nou ja zeg,’ antwoordt het wezen, ‘kijk eens wat ik op mijn kop heb! Een kroon! Net als jij. We moeten voor elkaar buigen.’
Akyoro vindt die sprietjes op het hoofd van zijn gast helemaal niet op een kroon lijken. Maar dat zegt hij maar niet! Hij is veel te blij dat hij met iemand kan praten!
‘Hoe heet jij? En van welke planeet ben jij koning?’
‘Ik ben Dja Qir, van Qirqira. Met mijn sterke vleugels vloog ik naar een ster, maar het was een vallende ster. Toen belandde ik op deze planeet. Dus jij bent hier de
Koning?’
‘Jazeker! Zie je die gebouwen daar? Naast mijn troontoren staat mijn sterrenslot met parelpilaren en zilverzuilen,’ zegt Akyoro trots.
‘Hoeveel onderdanen heb je?’ vraagt Dja Qir.
‘Geen. Tenminste, nog geen. Jij bent de eerste als je hier blijft.’
‘Nou,’ zegt Dja Qir, ‘een hele eer, maar ik heb toch zelf een kroon? We kunnen toch samen koning zijn?’
Daar moet Akyoro over nadenken …
Om tijd te winnen vraagt hij zijn bezoeker: ‘Wil je mijn sterrenslot bekijken?’
‘Graag.’
‘Dan ga ik vast naar huis, nou ja, naar mijn paleis. Dan laat ik een zweefstoel komen om jou op te halen,’ besluit Akyoro.
‘Niet nodig,’ zegt Dja Qir. ‘Ik ben een vliegende koning!’
‘O ja,’ zegt Akyoro een tikkeltje jaloers.
Samen zweven ze naar het paleis met de parelpilaren en zilverzuilen.
Vol bewondering bekijkt Dja Qir alle zalen van het slot.
‘Het is hier veel mooier dan op Qirqira,’ zegt hij, ‘en ik wil wel blijven. Maar alleen als we samen koning zijn!’
‘Eh … nou ja,’ zegt Akyoro een beetje weifelend, ‘laten we dat dan maar doen.’
Maar van binnen juicht hij! Ook al heeft deze gast een rare kroon, ik ben niet langer alleen!
Koning en Koning krijgen het supergezellig op Akyoro en Dja Qir denkt na een poosje niet meer aan Qirqira.
En pssst … hij vertelt Akyoro ook niet dat hij op Qirqira helemaal geen koning was en niet eens een paleis hád ….
Hij is gewoon geboren met iets op zijn hoofd dat een beetje op een kroon lijkt.
Niet verder vertellen, hoor!
