
De planeet Cactusia, ver weg in de oneindige ruimte, is een planeet vol stekelige planten. Daarom woont er maar een klein groepje wezens. Die hebben hun hutten gebouwd bij de Doorner Zee, omdat er een stukje strand is waar ze erg fijn kunnen wonen!
Niemand is zo gek om bij de stekelplanten te komen, want je kunt je lelijk bezeren. De cactusplanten op Cactusia zijn verschrikkelijk scherp.
Eén van de bewoners trekt zich daar niets van aan. Dat is Vere Lan.
Vere Lan houdt ontzettend veel van wandelen! Het maakt haar sterk!
Elke dag gaat ze lopen. Niet een klein eindje, maar kilometers ver.
Gelukkig is ze groot en heeft ze lange benen, zodat ze goed over planten die in de weg zitten heen kan stappen. Soms springt ze er zelfs overheen!
‘Nog nooit een prikje gehad!’ zegt ze trots.
Vere Lan kan dat allemaal en ze wil het ook. Logisch dat ze nooit iemand anders tegenkomt.
Maar vandaag hoort ze midden in de stekelvelden een zacht, bijna huilerig geluid.
Vere Lan staat stil en kijkt om zich heen. Er zijn alleen maar prikplanten. Die kunnen geen geluid maken.
‘Niks aan de hand’, snuift Vere Lan. ‘Ik heb het me zeker verbeeld.’
Ze loopt verder, maar toch is er weer dat zielige geluidje. Het lijkt wel met haar mee te gaan.
‘Verdorie!’ zegt Vere Lan, ‘wat is dat toch?’
Weer staat ze en draait zich met een ruk om. Dan zet ze grote ogen op. Verderop staat een wonderlijk wezen dat haar met droevige ogen aankijkt. Het wezen heeft vier benen! Dat heeft Vere Lan nog nooit van haar leven gezien! Alle Cactusianen hebben gewoon twee benen en verder woont er niemand.
‘Hallo,’ zegt het wezen met bibberige stem. ‘Weet u een plek waar geen stekels zijn?’
Het eerste wat Vere Lan denkt is ‘domme vraag’, maar ze vindt het wezen ook wel sneu.
Zijn lijf ziet er roodachtig uit. Heeft hij gebloed?
‘Ben je gewond?’
‘Ja. Ik heb overal pijn en ik weet niet hoe ik hier uit moet komen, overal zijn stekelingen.’
‘Cactussen’, verbetert Vere Lan hem.
‘Oh. Maar weet u misschien de weg naar een veiliger plek? U bent zo mooi groot! Dus u kunt over de planten heen kijken!’
‘Nou ja,’ zucht Vere Lan, ‘volg me dan maar. Ik moet nu weer verder, anders maak ik te weinig kilometers. Enne … wie ben jij eigenlijk? En hoe kom je hier terecht?’
‘Ik ben Warey’, zegt het vierbenige wezen, die opgelucht ademhaalt.
‘Oké Warey, maar wat voor wezen ben jij dan? Je bent zo anders dan wij hier!’
‘Ik ben een hopar’, antwoordt Warey. ‘Ik ging heel erg wensdenken op mijn eigen planeet. Ik wilde zo graag andere werelden zien. Toen kwam mijn wens ineens uit. Maar dat deze planeet zo stekelig is wist ik niet … En ik kan ook niet zo snel weer terug. Dan moet ik weer gaan wensdenken, maar dat durf ik niet meer. Wie weet waar ik dan terechtkom?’
‘Ik snap het,’ zegt Vere Lan. Ze heeft medelijden met deze lieve, kleine hopar.
‘Loop maar dicht achter mij aan, dan breng ik je naar een betere plek.’
Daar gaan ze. Langs eindeloze stekelvelden … Af en toe wordt Warey nog wel een beetje geprikt, omdat hij kleiner is dan Vere Lan. Maar Vere Lan tilt hem ook vaak over gemene struiken heen. Dat kan ze, omdat ze zo sterk is door al dat wandelen!
Eindelijk komen ze bij de Doorner Zee. De anderen zien het duo aankomen en zijn vreselijk verbaasd! Wie heeft Vere Lan bij zich? Wat een bloederig wezen! Wat is dat voor vreemdeling?
‘Dit is Warey’, legt Vere Lan hen uit, ‘een hopar-wezen. Hij kwam hier door wensdenken, maar wist niet dat het hier zo stekelig is.’
Ja, dat kan gebeuren. Iedereen vindt het erg zielig voor de hopar.
‘Jij bent te klein om alleen op stap te gaan. Jij blijft lekker bij ons en we zullen je goed verwennen.’
‘Ik wil jullie niet tot last zijn, hoor. Als ik weer beter ben, ga ik wel wensdenken dat ik weer naar huis kan.’
Liefdevol verzorgen de Cactusianen de wonden van Warey en na een paar dagen zon en strand is het bloed opgedroogd. De restjes spoelen eraf in het water van de Doorner Zee. Wat een genot! Warey is helemaal opgevrolijkt.
‘Ik ga proberen naar mijn eigen planeet terug te komen, ook al vind ik het bij jullie eigenlijk wel fijner,’ zegt Warey.
‘Waarom blijf je dan niet bij ons? Dat vinden wij heel gezellig, hoor!’
Warey is er stil van.
‘Dat wil ik graag,’ zegt hij. ‘Ik dank jullie ontzettend voor alles. Maar het meest dankbaar ben ik Vere Lan, want zij heeft me gered!’
Vere Lan hoort het niet. Ze is alweer aan de wandel.

