

Op de planeet Andrabana staan veel grote gebouwen, meest huizen om in te wonen.
Eén gebouw steekt overal boven uit. Het is de uitkijktoren, die Topan genoemd wordt. De Andrabanen hebben die toren zelf gebouwd; ze willen graag over de hele planeet uit kunnen kijken. Ze zijn trots op hun Topan!
Vandaag woedt er een storm! Een hevige storm en de meeste Andrabanen blijven veilig in hun huis. Gelukkig duurt het noodweer niet lang. Al gauw kunnen ze weer naar buiten, opgelucht dat het voorbij is.
Plotseling horen ze een enorm gekraak. De toren!
Tot hun ontsteltenis en grote verdriet zien de bewoners van Andrabana hun metershoge Topan langzaam en krakend in elkaar zakken! Och, wat is dat jammer! Ze hadden zo hun best gedaan om de toren zo hoog te krijgen! Wat nu?
Ze kijken elkaar aan. Ze denken hetzelfde en er is iemand die het hardop zegt: ‘Durberono!’
‘Já! Durberono hebben we nodig! Waar is hij?’
De grote, sterke Andrabaan, Durberono, heeft 6 armen en 4 benen!
Hij woont verderop in een andere stad.
‘Ik zag hem vanochtend vroeg in het Wildewoud’, roept een klein Andrabaantje.
‘Ik zoek hem wel!’
Hij rent weg. Een hele poos later komt hij terug met Durberono, de held die alles kan!
Zou hij hun willen helpen de Topan weer op te bouwen?
En sterker te maken dan hij was, zodat hij nooit meer in kan storten?
Durberono ziet de hoop hout, hij ziet het verdriet op de gezichten van al die wezens …
Snel denkt hij na.
‘Hebben jullie dat slappe hout van de Aeroliaan-boom gebruikt?’
‘Ja’, knikken de anderen. ‘Daar was het meeste van in onze buurt.’
‘Niet naar het Wildewoud gegaan? Niet slim’, zegt Durberono hoofdschuddend. ‘Zwakke takken houden het niet in zo’n storm! Maar ja, we gaan aan de slag.’
Eerst ruimen ze het uit elkaar gevallen hout op en leggen alles aan de kant.
‘Daar gaan we vanavond een groot vuur van maken,’ zegt Durberono.
‘Nu naar het Wildewoud! Neem jullie beste gereedschap mee!’
Als ze in het woud zijn legt Durberono uit welke bomen het sterkste bouwhout hebben.
‘Vergeet niet eerst aan de boom te vragen of je een paar van zijn takken mag!’
‘Maar bomen kunnen toch niet praten?’
‘Vraag het maar’, zegt Durberono. ‘Je voelt het antwoord wel. En als je klaar bent, bedank je de boom.’
De anderen vinden het maar raar, maar ze doen het toch.
Durberono is zo wijs! En zo sterk! Iedereen vindt hem geweldig!
Hij hakt wel tien keer zoveel takken als de anderen, maar dat kan ook makkelijk met al die armen!
Urenlang zijn ze aan het werk. Dan, als er genoeg bouwmateriaal is, slepen ze alles van het Wildewoud naar de stad, maken een bouwplan en dan beginnen ze.
Het is een gezaag, geklop en getimmer van jewelste. Durberono doet af en toe een paar passen opzij om het geheel te kunnen overzien.
Aan het eind van de dag – ze kunnen het bijna niet geloven – is de nieuwe toren al klaar!
Mooier en hoger dan hij was! Vooral door de handen van Durberono, dat is duidelijk.
‘Durberono, wij danken jou hartelijk voor al jouw hulp! Zonder jou was het ons niet gelukt zo snel zo’n sterk gebouw te maken! Daarom heet de toren van nu af aan de Durberono-toren! En jij mag hem als eerste beklimmen!’
De grote, sterke reus verbleekt. Hij lijkt zelfs een beetje kleiner te worden …
‘Ik … eh … dat durf ik niet … ik heb eh … hoogtevrees …’
Even wordt het heel stil.
Dan zegt Durberono verlegen: ‘Maar ik durf wel lekker met jullie bij het vuur te zitten.’
Dat doen ze en het wordt erg gezellig!