

Fandiri heeft nooit rust.
Voortdurend rent hij de hele planeet Hilaris over. Van de zee naar de bergen, van de bergen naar de stad, van de stad naar de andere stad, van de andere stad naar de bergen, van de bergen naar de zee … en zo gaat het maar door.
‘Fandiri! Stop eens even? Word je niet te moe?’ roepen zijn vrienden weleens.
Maar ze weten dat het niet helpt. Fandiri hoort het niet eens. Hij doet niets anders dan rennen.
‘Dat kan toch niet zo door blijven gaan’, zeggen zijn vrienden.
‘Waarom doet hij dat?’
’s Avonds wachten ze op hem bij de poort van zijn woning. Ze denken: hij zal toch weleens moe worden en gaan slapen?
Maar Fandiri laat zich niet zien. Overnacht hij soms ergens in de bergen?
Niemand weet het.
Lang geleden was hij niet zo. Toen konden ze kalm met hem samenzijn,
wandelen of spelen. Nu hij wat ouder is rent hij rond als een kip zonder kop. Niemand begrijpt het.
En Fandiri zelf? Snapt hij waarom hij aldoor zo van hot naar her moet rennen? Geen idee.
Op een dag, als hij weer van de stad naar de bergen en van de bergen naar de zee racet, hoort hij geroep. Onverwacht raakt hem dat hem in zijn hart.
Ineens begint hij minder vaart te maken, langzamer te lopen, tot hij stilstaat! Precies aan de rand van de Hilaris-zee.
Kwam die stem nou uit het water? Of leek dat maar zo? Nog nahijgend tuurt Fandiri over de golven. Zijn lijf trilt en hij zweet. Wat is er met hem aan de hand?
Vanuit een hoge golf in de branding springt een wezen te voorschijn.
Een waterwezen.
‘Kom! Kom maar! Zwem met me mee!’
Fandiri weet niet wat hem overkomt, maar hij voelt een enorme blijdschap, al weet hij niet waarom!
Langzaam loopt hij het water in. De golfjes kabbelen om zijn voeten.
Dat voelt lekker na al dat geren.
‘Hierheen!’ roept het grappige wezen. ‘Kom maar!’
Fandiri snapt het zelf niet, maar hij durft verder de zee in te lopen.
Gelukkig kan hij prima zwemmen. Hij duikt zelfs de branding in.
‘Goed zo!’ zegt zijn watervriend, ‘we gaan even samen zwemmen. Ik heet trouwens Quavi. En wie ben jij?’
‘Fandiri’, antwoordt Fandiri. ‘Wat is het heerlijk in het water, zeg!’
Ze zwemmen een poosje, duiken door de branding, komen weer boven en doen hetzelfde nog een keer.
Dan zegt Quavi: ‘Nu ben je weer jezelf. Ga maar rustig wandelend naar huis. Je vrienden missen jou en wachten op jou, dat voel ik.’
‘Hoe weet je dat allemaal?’ vraagt Fandiri, die zich nu inderdaad
heerlijk kalm voelt.
‘Ik zag jou elke dag meerdere keren. Je bleef maar rennen. En nu ben je afgekoeld. Je weet weer hoe fijn het is om met de stroom van het leven mee te gaan.’
Fandiri is hoogst verbaasd.
‘Ik denk dat je gelijk hebt,’ zegt hij dankbaar. ‘Hartelijk bedankt,
Quavi. Ik voel me heel goed.’
Dankbaar stapt hij het strand op, wandelt naar de bergen, van de bergen naar de stad, want daar zijn zijn vrienden.
‘Ha Fandiri! Goede vriend! Wat fijn dat je weer tijd voor ons hebt.’
‘Ja’, zegt Fandiri met een lach, ‘ik heb het goede ritme weer gevonden en ik ben lekker afgekoeld.’
‘Maar waarom rende je nu steeds als een gek in het rond?’
‘Ik was bang om minder sterk dan jullie te zijn. Dus ik wilde goed oefenen.’
‘Fandiri, je bent goed zoals je bent!’
‘Dat weet ik nu ook. En als ik niet meer goed kan rennen, kan ik altijd nog zwemmen. Met Quavi!’
Zo is dat!

