

Op de planeet RojuroB39C hebben de buitenaardse wezens blauwe lijven.
Ze kleden zich in een soort rode jurken.
Allemaal hetzelfde. Dat zit gemakkelijk en het staat leuk.
Ook Wolow ziet er zo uit, maar één ding is anders. Als enige heeft hij geen vleugels.
Waarom? Dat weet niemand. Hij is gewoon zo geboren.
Wolow is er aan gewend dat hij niet kan vliegen, dat is nu eenmaal zo.
Waarom blijft iedereen hem dan steeds vragen: ‘Ga je mee vliegen?’
In het begin doen ze dat per ongeluk, maar steeds vaker om hem te plagen.
Wolow riep altijd: ‘Nee, dat kan ik toch niet! Ik heb geen vleugels!’
Nu schudt hij alleen nog maar zijn hoofd.
Hij doet dat zo ontzettend vaak dat zijn hoofd er raar uit begint te zien!
En na een poosje krijgt hij de bijnaam Schuddekop!
‘Ga je mee vliegen, Schuddekop?’
Wolow schudt van nee en iedereen lacht hem uit.
Gelukkig is Affla een goede vriend. Het is een heel goede vriend.
Hij zegt: ‘Wolow, jij bent bijzonder.’
‘Ja’, lacht Wolow, terwijl hij met zijn hoofd schudt, ‘bijzonder raar.’
‘Nee’, zegt Affla een beetje streng. ‘Jij bent ècht bijzonder. Iedereen op onze planeet ziet er hetzelfde uit en we kunnen allemaal hetzelfde. Maar onze Schuddekop is anders!’
Voor het eerst vergeet Wolow even nee te schudden, want hij denkt na.
Affla vertelt de anderen hoe geweldig hij Wolow Schuddekop vindt.
Na een poosje is Wolow beroemd! Zo beroemd dat er zelfs raketten op RojuB39C landen, met andere wezens uit het heelal.
‘We hebben gehoord over Wolow Schuddekop’, zeggen ze. ‘Waar kunnen we die ontmoeten?’ En Wolow? Die vindt dat erg gezellig.
‘Fijn dat er zoveel verschillende levende wezens zijn’, zegt hij, terwijl hij met zijn hoofd schudt. ‘Want bij ons is iedereen hetzelfde. Nou ja, behalve ik dan.’

