

Op een dag wandelt Pulu door het blauwe gras op de planeet Azura.
Hij geniet altijd zo van de blauwe bomen met blauwe nootjes of blauw fruit.
Dan hoort hij wat geritsel op de grond.
Een stapel blauwe bladeren beweegt wat en … er komt zomaar een wezentje uit.
Een heel ander wezen dan Pulu.
‘Hé, wie ben jij?’
‘Egel’, zegt het wezentje.
‘Egel? Wat is dat?’
‘Nou, dat ben ík natuurlijk. Een dier met stekels. Die heb je zelf trouwens ook.’
‘Ik ben Pulu.’
‘Aangenaam, maar je hebt wel stekels, net als ik.’
‘Maar je bent niet blauw! En op Azura is alles blauw.’
‘Jouw stekels zijn ook niet blauw.’
Dat is waar.
‘Waar kom je dan vandaan?’
‘Ik ben in een raket gekropen, die stond op de Aarde. En ineens vloog hij weg. Nu ben ik hier waar alles blauw is. Azura dus’, vertelt Egel.
‘Maar ik houd wel van blauw’, voegt hij er nog aan toe.
‘Je mag wel blijven hoor’, zegt Pulu, ‘dan heb ik een heel bijzondere vriend.’
‘Graag’, antwoordt Egel, ‘ik weet niet hoe ik terug naar de Aarde moet komen.
Ik laat alles maar blauw-blauw.’
Samen wandelen ze verder door het blauwe gras. Ze hebben het erg gezellig met elkaar.

