

Uta Qel luidt de bel.
Alle fladderwezens op de planeet Qellatus kennen dat geluid. Meteen komen ze aangevlogen. Het zijn er wel vijftig! Ze gaan in een kring om Uta Qel heen zitten. Want nu gaat Uta Qel hen iets leren!
Hij is een leraar, een meester zonder school. Hij is meester van het Fladderbos.
‘Luister’, zegt meester Uta Qel streng, ‘vanaf nu wil ik dat jullie, en dan bedoel ik IEDEREEN, wat minder hard zingen. Minder hard fluiten. Het is niet goed voor mijn oren. Trouwens ook niet goed voor jullie oren. Dus, zachtjes zingen.’
Hoeveel bewondering ze ook hebben voor hun meester, dit is wel een rare vraag!
De fladderwezens beginnen te mopperen, te protesteren.
‘Maar meester, dat kán niet?’
‘Als we blij zijn kunnen we toch gewoon hardop zingen en fluiten?’
Iedereen roept van alles door elkaar.
‘Stilte! Stilte!’ brult Uta Qel. ‘Nu doen jullie het wéér! Het is gewoon veel te luid! Ik kan er niet meer tegen!’
Oei, daar schrikken ze allemaal van. Die grote, sterke meester … die kan toch overal tegen?
Even wordt het helemaal stil. Uta Qel kijkt naar de grond. Het lijkt alsof er een traantje over zijn snavel rolt. Hij is verdrietig, dat is duidelijk.
Opeens komt er een klein fladderaartje naar voren. Vlak voor de meester blijft hij staan en kijkt omhoog.
‘Meester, zou u niet graag eens op vakantie gaan?’ vraagt hij.
‘Vakantie?’ antwoordt Uta Qel, ‘wat is dat ook alweer?’
Meteen begint iedereen weer te roepen.
‘Vakantie is uitrusten, meneer!’
‘Even niks moeten!’
‘Lekker luieren, meester!’
Uta Qel denkt na.
Alle fladderaars zitten gespannen te wachten. Wat gaat meester zeggen?
‘Goed, vleugelvrienden. Nu heb ik ook eens iets van jullie geleerd. Ik heb vakantie nodig.’
En dan klinkt er een geweldig concert van zang- en fluitgeluiden.
‘Fijne vakantie, meester Uta Qel!’
Die vliegt al weg naar een plek zonder fladderaars.
