

Zarpan woont ver weg in de ruimte. Als hij omhoog kijkt ziet hij alle planeten in het heelal.
Dat kan hij omdat hij maar één oog heeft. Het is een geweldig groot oog, een oog dat alles ziet. Tenminste, dat denkt Zarpan. Maar alles zien kan eigenlijk niet. Of wel?
Wat hij niet ziet, bedenkt hij gewoon zelf.
Vandaag kijkt hij naar de ruimte en zegt: ‘Ik ben verliefd.’
‘Op wie, Zarpan?’ vragen zijn vrienden.
‘Op een meisje. Ze woont op een andere planeet.’
‘Maar dan ken je haar toch niet?’
‘Jawel, ik zie alles. Ik sta helemaal in vuur en vlam, zo verliefd ben ik.’
‘Belachelijk’, zeggen zijn vrienden. ‘Je verzint het zelf.’
Toch zien ze wel dat Zarpan in vuur en vlam staat. De liefde komt gewoon zijn hoofd uit, omdat hij zo sterk aan zijn verre meisje moet denken.
‘Moeten we je blussen? Met een straal water?’ vragen de anderen.
‘Waarom? Ik vind het heel fijn om verliefd te zijn op een meisje dat ik niet ken. Ze is heel lief en mooi.’
‘Hoe weet je dat nou? Je kent haar toch niet en je kunt ook niet naar haar toe. Veel te ver weg.’
‘Daarom is het zo fijn om aan haar te denken. Dan maak ik het zelf mooi en fijn en goed. Daar word ik blij van.’
Tja, daar is niks mis mee.
Eigenlijk zijn de vrienden een beetje jaloers.
Zij zouden ook wel verliefd willen worden op een heel mooi meisje.
‘Er wonen nog veel meer meisjes daar’, zegt Zarpan.
Maar het lukt de anderen niet, omdat ze niet willen geloven dat het kan.
Verliefd worden op een verweg-meisje, dat lukt alleen Zarpan!
