

Nantar vindt dat hij vaak moet kiezen.
‘Ga ik vandaag naar het oosten? Of naar het westen? Noord of zuid kan ook nog.
Wat zal ik eten als ontbijt? Zonpitten of maankorrels?
En zal mijn middagmaal een mistbol worden of een koraalwortel?
Dan nog het avondeten! Zweefvlees of stiltestoof?
HELP! Altijd moet ik kiezen! En dat kán ik niet!
Ook het toetje moet ik nog uitzoeken! Grrrr!
Glimbessen of droomvlokken? Geen idee. Vreselijk.’
Door al die verwarring heeft Nantar helemaal geen trek meer.
‘Maar ik moet eten! Anders word ik ziek! Of ik ga dood!’
‘Weer een keus, zal ik ziek worden of doodgaan …?’
Arme Nantar … hij is helemaal van slag.
Hij heeft hulp nodig. Maar van wie? Dat is ook alweer een keus …
Bovendien, iedereen zal hem uitlachen.
Toch maar zelf bedenken …
‘Oké’, zegt hij. ‘Ik heb twee kanten, dus twee mogelijkheden. Als ik nu eens … uh … als ik nu eens de ene dag het ene doe, en de volgende dag het andere?’
Nantar denkt erg diep en erg lang na. Hij kan nog steeds niet kiezen.
Ziek of dood is allebei geen goed idee, dus …
‘Ik kies voor vandaag! En dan kies ik het andere voor morgen! Probleem opgelost!’
Vandaag het zonpitten-ontbijt, daarna naar het oosten.
Na de mistbollen-lunch, ga ik naar west, als het zweefvlees en het glimbes-toetje op zijn, ga ik naar het noorden, en dan eh, ga ik morgen naar het zuiden.’
Het is wat ingewikkeld, maar Nantar doet het maar gewoon.
Want eindelijk heeft hij iets gekozen!
