

Mirlanta ligt in haar holletje, onder de bladeren van de Boeloe-boom. Ze heeft heerlijk geslapen. Ineens springt ze op, duwt de Boeloe-bladeren aan de kant en rent weg.
Langs de Fluisterwilg, over het Zilvertak-pad, de Wortelkroon-weg op.
Ze heeft haast! Verschrikkelijke haast!
Met enorm grote stappen racet ze over de Zonnestenen, neemt een sprong over de Spatelrivier, langs bodemzwevers en polsbladeren.
Voorbijgangers roepen: ‘Hé Mirlanta! Wat is er aan de hand?!’
‘Waar ga je naartoe?!’
‘Háást!’ weet Mirlanta uit te brengen en rent gewoon door.
De bewoners van de planeet Volanis snappen er niks van.
Als ze zo’n haast heeft, waarom vliegt ze dan niet?
Ze heeft immers mooie, sterke vleugels! Die maken meer snelheid dan die dunne beentjes van haar ,,,
Ach ja, ze moet het zelf maar weten.
’s Avonds, als de 3 manen weer aan de Volanis-hemel staan, komt Mirlanta terug bij haar Boeloe-boomhol. Ze ziet er moe uit, maar kijkt ontzettend tevreden.
Haar buren van het Fluisterwilg-hol zitten haar al op te wachten.
‘Wat zul je uitgeput zijn, Mirlanta! Ga gauw uitrusten, maar leg ons even uit waarom je zo hard ging rennen!’
‘Het komt door die droom’, zegt Mirlanta nog nahijgend.
‘Wat droomde je dan?’
‘Dat ik haast had en dat ik kon vliegen zonder vleugels.’
De buren van het Fluisterwilg-hol kijken elkaar aan.
Is Mirlanta gek geworden?
‘Nou, je kunt het. Je had haast en je vloog zonder je vleugels te gebruiken.’
Stiekem moeten de buren een beetje lachen, maar dat ziet Mirlanta niet.
Die ligt doodmoe in haar hol en denkt: deze dag is omgevlogen!
Met een glimlach valt ze in slaap.
