

‘Ik ben zó lelijk’, klaagt Drobork. ‘ Ik zie er niet uit! Mijn lijf is blubberig, alsof ik in de modder gelegen heb.’
Maar … Drobork woont op de planeet Rabanda, waar helemaal geen modder is!
Er zijn alleen maar weilanden met oranjerood gras en paarse bomen.
De huizen zijn roze, met gele daken. Er schijnen twee gele zonnen en alles krijgt daardoor een gouden glans.
Maar Drobork voelt alsof hij daar niet hoort, want hij is te lelijk.
Toevallig komt Fras voorbij.
‘Wat kijk je verdrietig, Dro’, zegt Fras.
‘Ja, ik voel me in deze wereld niet thuis.’
‘Maar het is toch je thuis?’ zegt Fras.
‘Dat wel, maar ik pas hier niet, met al die prachtige kleuren om me heen.’
Fras denkt na. Pas ik hier dan wel? vraagt hij zich af.
‘Nu je het zegt, ik ben ook niet zo mooi eigenlijk. Maar moeten we dan ergens anders naartoe?’
‘Dat zou beter zijn’, zegt Drobork verdrietig. ‘We horen hier niet.’
Samen lopen ze verder. Ze komen andere bewoners van Rabanda tegen.
Iedereen is heel vriendelijk tegen hen.
‘Wij horen hier niet, wij denken erover om weg te gaan’, fluistert Drobork tegen iemand.
‘Wat zeg je nou? Grapje zeker.’
Tegen iemand anders zegt Fras, ‘Gegroet, wij vertrekken van deze planeet.’
‘Haha!’, lacht die. ‘Grapjassen.’
De hele dag gaat het zo door. Tegen iedereen zeggen ze dat ze lelijk zijn en niet thuishoren op Rabanda. Iedereen lacht erom.
Dan kijken Drobork en Fras elkaar aan.
‘Ik denk dat we toch moeten blijven’, zeggen ze allebei tegelijk.
‘Het is heel leuk om mensen te laten lachen!’
Ja, ze blijven lekker waar ze zijn. Op Rabanda. Hun eigen planeet.
Ze horen er gewoon bij, hoe ze er ook uitzien.

