

Fofon vliegt zijn dagelijkse rondje.
Daar ziet hij een aardig meisje. Hij fladdert om haar heen.
‘Hallo! Wie ben jij?’
‘Beribey’, zegt Beribey. Ze is een beetje verlegen.
‘Mooie naam, ik ben Fofon, kom bij me, Beribey, dan gaan we samen vliegen.’
‘Nou nee, dat kan ik toch niet? Ik heb immers geen vleugels.’
‘Maar je hebt toch grote handen? Wapper daar maar eens flink mee, dan stijg je vanzelf op.’
Beribey kan het bijna niet geloven, maar probeert het toch.
Ze zwabbert en zwaait met haar armen, van links naar rechts, van voor naar achter.
Stijgt ze al op? Nee, dat lukt echt niet.
Fofon vindt het een beetje zielig voor zijn nieuwe vriendin.
Hij gaat eens gezellig naast haar zitten. Op de grond.
‘Kijk’, zegt hij, ‘als we niet samen kunnen vliegen, we kunnen wel samen op de grond blijven.’ Beribey glimt van oor tot oor.
‘Kom je nog eens langs mij vliegen’, vraagt ze.
‘Tuurlijk’, zegt Fofon. ‘Jij bent mijn loop- en zitvriendin!’
En dat is hartstikke fijn!

